Dit essay houd ik vanuit het perspectief van mijn beroep als kunstschilder en hoe ik mij in de kunst een weg heb gezocht. Vaak zie ik mij voor het probleem gesteld van : “Welke kleur sokken zal ik vandaag aantrekken?”. Maar aangezien u daar geen interesse in heeft, zal ik dit probleem niet aanroeren. Interessanter wordt het als ik me afvraag welke kleur das ik vandaag zal kiezen. Dat probleem is ook gauw opgelost, want kunstenaars dragen überhaupt geen das, tenzij ze met de wereld verbonden willen zijn, bijvoorbeeld als portretschilder. Een dasdrager staat symbool voor iemand, die zichzelf, vanuit het diepst van zijn ziel, aan een zaak gebonden heeft. Voor de schilderkunst heb ik (me) altijd een das omgedaan. Nee, onzin!

Laat ik eerst mijn voorgangers beschouwen. De Gouden Eeuw van de schilderkunst heeft alléén zoveel beroemde en wereldwijd gewaardeerde schilderijen opgeleverd, doordat het schildersgilde de belangrijkste richting gevende organisatie was. De groei van leerling op de kunstacademie naar gezel van de meester in zijn atelier tot zijn eigen meesterproef was een weg, die iedere aankomende schilder móest afleggen. Als academiestudent leert hij de kneepjes van het vak: formaat, compositie, lijn en vorm, tonaliteit, kleur, handschrift, schildertechnieken, tekentechnieken, druktechnieken en tot slot kunstgeschiedenis. In het atelier van de meester mag hij in die tijd naast atelier opruimen en aanvegen ook werken aan schilderijen in details, die de leerling beheerst.

Om me heen kijkend, zag ik niets van dat alles: geen gilde; geen leerling-gezel-meester-verhouding. Alleen met een diploma ‘hoger onderwijs’ kon ik toegang krijgen tot een academie. Met al die zesjes op mijn mulo rapporten, zonk me de moed in de schoenen. Ik was geen briljante leerling, meer een dromer, maar ik kreeg alleen steevast een negen voor tekenen op mijn rapport, nadat ik voor mijn allereerste tekening een tien had gekregen. Mijn tekenleraar was een universeel mens en gaf les volgens de ‘Vrije Expressie’, die in de jaren 50 in zwang kwam door Cobra. De ‘Werkschuit’ in Amsterdam ontwikkelde die en zo gingen de scholen ermee aan het werk. Niks realistische copieerkunst. Werken naar de fantasie met kleurrijk werk. Ik ging in trance aan het werk en hoorde pas weer iets, als de bel van de leswisseling klonk. Wat was ik enthousiast. Toen in later jaren mij de moed in de schoenen was gezakt en ik mijn roeping tot kunstschilder zag verdampen, kreeg ik zevens en achten. Ik dacht: “Ontwerper, dát is wat.” Maar contacten leggen met opleidingscentra, begin jaren 50 was een crime. Niettemin ben ik via jarenlange omwegen en geheime agenda’s, op mijn 27e, kunstschilder geworden. Dat was dat!

Ik ben ook als kunstschilder bij andere grote meesters in de leer geweest, door kunstboeken over hen te bestuderen. Ik heb er in mijn leven een hele reeks gekozen. In een lange hal met veel pilaren staan ze in mijn fantasie op een rij. Een lange rij beelden op een sokkel in het gelid. De boeiendste en belangrijkste staan vooraan en daarop volgen de minder interessante kunstenaars. Aanvankelijk mogen ze op hun sokkel staan, maar als hun werking minder wordt, moeten ze gaan zitten op een stoel op de sokkel. Begin ik ernstig te twijfelen aan hun betekenis, dan moeten ze op de rand van de sokkel gaan zitten en als ze in mijn ogen gefaald hebben, moeten ze de galerij verlaten. Soms mogen ze nog even naast hun sokkel staan, omdat ze me toch nog ergens weten te emotioneren. Ik benader hen met criteria vanuit mijn diepste wens, om zelf een goed kunstschilder te worden. De drie belangrijkste criteria zijn: hoe hebben ze geschilderd, getekend of geschreven en ten tweede hoe geslaagd waren ze in het kiezen van een partner en hoe hebben ze zich in familieverband gedragen, dus hoe sociaal waren ze. Ten derde: in hoeverre hadden ze een maatschappelijke status en hoe gingen ze met kunstkopers om. Dat zijn toch de eerste contactpersonen met de maatschappij. Verder bekijk ik of ze gelukkig waren, want dat wil ik toch in eerste instantie ook. Waren ze welgesteld? In werkelijkheid heb ik een jaar lang bij een bejaarde Theo Bitter op zijn atelier gewerkt, waar ik de glazen potjes en de locomotiefjes heb geschilderd. Ik ging in de leer bij een realistische kunstschilder. Ik was bevriend met Cees Andrea en zijn zoon Pat, Cees van Bohemen. En Herman Berserik moedigde me aan door mijn schildersoveral te betitelen als ‘speelpakje’. Ik ben aan een kant ook altijd speels gebleven. Want ik bleef onafhankelijk van de harde kunstwereld. Ik ontdekte namelijk mijn talenten als tekenleraar en cursusleider, na een geslaagde universitaire MO-A talenstudie en het behalen van een LO-akte Tekenen via een staatsexamen. Daarnaast heb ik vijf jaar ervaring op de Vrije Academie Psychopolis opgedaan, waar ik me naast het modeltekenen en schilderen vooral de druktechnieken eigen maakte. Zo kon ik een inkomen genereren, toen mijn cursusinstituut vorm begon aan te nemen. 35 Jaar heb ik zo les gegeven en in betrekkelijke luwte kunnen werken.

Mijn oeuvre is opgebouwd met werk, zoals in de galerijen is afgebeeld. Zo wordt zichtbaar, hoe ik in vele disciplines heb gewerkt. Voor elke stemming, voor elk motief een discipline. Ik heb voor mijn vrijheid gekozen, zodat ik onder alle omstandigheden in staat ben, tot uitdrukking te brengen, wat er in mij leeft: Een dagboek, dat zich uitstrekt van pastorale ontroering tot rollercoaster-achtige pathetiek; van zachte liefdevolle observatie tot de heftigste en boosaardigste gemoedstoestanden (Ik wordt niet graag te na gekomen) zelfs, als ik niet weet, waar het vandaan komt. Ik ben te allen tijde een lyrisch verhalend schilder, of ik nou de impressionist, de expressionist, de kubist, de intuïtieve of gewoon de abstracte, of decoratieve kunstenaar aan het werk zet. In de Galerijen komt dat tot uitdrukking.